4: Binnenvaartpolitiereglement

Voor sloepen zal op enkele uitzonderingen na het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) gelden. Een sloep is niet verplicht een exemplaar van het BPR aan boord te hebben. Tegenwoordig zijn er gratis Apps voor Apple en Android met de volledige tekst van het BPR, echter de leesbaarheid hiervan is beperkt. 
 
Het volledige BPR is in te zien op wetten.overheid.nl of hier te downloaden (8.9 Mb)
 
De belangrijkste voorrangsregels
 
  • Sloepen (vallen onder categorie kleine schepen tot 20 meter lengte) verlenen altijd voorrang aan grote schepen (langer dan 20 meter)
  • Veerponten, passagiersschepen, sleep- en duwboten en vissersschepen die in bedrijf zijn, hebben altijd de rechten van ‘groot’. Ook als ze korter zijn dan 20 meter. 
  • Wie in de betonde vaargeul aan stuurboordzijde van het hoofdvaarwater vaart, heeft voorrang op schepen die de vaargeul willen opvaren, of oversteken. Een uitzondering hierop zijn schepen die uit een betond nevenvaarwater komen varen. In deze situatie moeten kleine schepen op het hoofdvaarwater voorrang verlenen aan grotere schepen die van het betond nevenvaarwater komen.
  • Bij kruisende koersen en in de situatie dat geen van de schepen aan stuurboordwal vaart heeft een zeilboot voorrang op een sloep. Een sloep heeft voorrang op een kleine motorboot.
  • Een roeisloep die vanuit een haven of nevenvaarwater een hoofdvaarwater opvaart dan wel oversteekt, of vice versa, moet altijd voorrang verlenen aan grotere schepen.
  • Een oplopende sloep moet altijd voorrang en ruimte geven aan de opgelopene sloep.
  • Bij recht tegengestelde koers gaat een groot schip voor klein, heeft stuurboordwal voorrang, en heeft een zeilboot altijd voorrang op een sloep. 
  • Bij sloepen onderling op open water heeft de sloep die van stuurboord komt voorrang
 

Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren. Zo staan hierin de borden en overige verkeerstekens vermeld, de te voeren verlichting, tekens en geluidsseinen voor vaartuigen, en de voorrangs- en uitwijkregels op het water. Het BPR werd als wet vastgesteld op 26 oktober 1983 en vormt de opvolger van het vaarreglement (1965-1984). Het is laatstelijk op 1 juli 2010 grondig gewijzigd.

Het BPR geldt voor iedereen en voor elk vaartuig, zowel voor de beroepsvaart als voor de recreatievaart (inclusief roeisloepen en surfplanken). Op grond van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement is het BPR geldig op de openbare wateren van het Rijk die voor scheepvaart openstaan, met uitzondering van:

  • Boven-Rijn, de Waal, het Panneerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek. Hier geldt het Rijnvaartpolitiereglement.
  • De Westerschelde en haar mondingen. Hier geldt het Scheepvaart Reglement Westerschelde.
  • Het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Hier geldt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen.
  • De Eemsmonding zoals vermeld in het Eems-Dollardverdrag en;
  • De wateren, die zeewaarts van de lijn vermeld in het tweede lid van artikel 2 van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement liggen. Deze lijn loopt min of meer langs de Nederlandse Noordzeekust en de Waddeneilanden. Hier gelden de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, ook wel Zee Aanvarings Reglement genaamd. De Waddenzee valt voor de wet onder het binnenwater, dus ook hier is het BPR van kracht.
Hierna volgen enkele voor sloepen relevante artikelen uit het BPR;
 
  • Een sloep is conform artikel 1.01 een 'klein schip'
  • Conform artikel 1.02 is de stuurman (hierna: schipper) verantwoordelijk voor de naleving van het BPR
  • Volgens artikel 1.04 moet de schipper, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in het BPR, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:
    • a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;
    • b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;
    • c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.
  • Een varende sloep dient 's nachts (van zonsondergang tot zonsopkomst) volgens artikel 3.13-6 een wit rondomschijnend licht te voeren.
  • De voorrangregels (artikel 6.03)
    • 6.03.1: Sloepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde koersen dan wel elkaar voorbijlopen, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
    • 6.04.4: Wanneer een sloep voorrang moet verlenen aan een ander schip, moet het door tijdige koerswijziging of door snelheidsverandering aan dat andere schip de ruimte laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en te manoeuvreren.
 
(update 3 februari 2016)